| 25079 |
langzaam, traag |
langzaam:
lânsem (Q253p Montzen)
|
langzaam [ZND m]
III-4-4
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantirn (Q253p Montzen),
latern (Q253p Montzen),
lucht:
lüet (Q253p Montzen),
lüt (Q253p Montzen)
|
lantaarn [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 18222 |
lap |
huif:
huf (Q253p Montzen)
|
Lapje leer dat men ter reparatie op een scheur op het schoeisel zet. [N 60, 233g]
II-10
|
| 28472 |
larven |
larven:
(enk)
larǝf (Q253p Montzen)
|
Toestand van larf van het broed vóór de verzegeling. Normaal is dat de eieren, zowel die waaruit werkbijen als die waaruit darren of moeren geboren worden, na drie dagen uitkomen in de vorm van een larf of made. Na vijf dagen heeft de larf door goed voeren een gewicht bereikt dat het 1500-voudige is van haar geboortegewicht. Vijf dagen duurt deze toestand als larf. Vervolgens wordt de cel verzegeld en treedt verpopping op van de larf. Dertien dagen zit ze in de gesloten cel. In totaal duurt het dus 21 dagen, voor dat werkelijke werkbij er is. Bij de dar duurt deze periode 24 dagen en bij de koningin slechts 15 à 16 dagen. [N 63, 21b; Ge 37, 68]
II-6
|
| 19297 |
lastig (werken) |
lastig:
ook materiaal znd 30, 02
leͅ-stəx (Q253p Montzen)
|
lastig [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 17814 |
laten |
laten:
lōͅ:tə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
laten [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-2
|
| 23752 |
laten wijden |
een auto laten zegenen:
ənə wāgəl, ənə owto lōtə zɛ̄nə (Q253p Montzen),
een huis laten zegenen:
ə hūs, ənə bōw lōtə zɛ̄nə (Q253p Montzen),
een veld laten zegenen:
ə vɛ̄lt lōtə zɛ̄nə (Q253p Montzen),
laten wijden:
lōtə wijə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
Een akker laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een huis of gebouw laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een kruisbeeld, een heiligenbeeld(je), een kaars laten wijden/zegenen. [N 96B (1989)] || Een rozenkrans, een scapulier, een medaille, een kruisje laten wijden/zegenen door een priester. [N 96B (1989)] || Een voertuig (auto/wagen) laten wijden/zegenen, op of rond het feest van St. Christoffel (25 juni). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20869 |
laurier |
laurier:
lorēr (Q253p Montzen)
|
laurier [ZND m]
III-2-3
|
| 24990 |
lauw |
lauw:
lōͅ: (Q253p Montzen)
|
lauw [ZND m]
III-4-4
|
| 20479 |
leeftijd, ouderdom |
ouder:
oder (Q253p Montzen),
ouderdom:
oderdom (Q253p Montzen)
|
ouderdom [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|