| 28432 |
kruisen |
kruisen:
krytsǝ (Q253p Montzen)
|
De spijlen op verschillende hoogtes kruisvormig in de korf steken. Het aanbrengen van spijlen in de bisschopskorf en zwanehals kan men alleen door middel van kruisspijlen. In andere gevallen brengt men ze aan om de korfdoek bol te spannen. [N 63, 7b]
II-6
|
| 23313 |
kruisen, kruisdagen? |
kruisen:
krytsər (Q253p Montzen)
|
kruisen [RND]
III-3-3
|
| 24100 |
kruisheer |
pater (lat.) van het heilige kruis:
ənə pātər van ət heləX krüts (Q253p Montzen)
|
Een Kruisheer [Kruushier]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23750 |
kruisje aan een kettinkje |
kruisje aan een ketje:
ət krytskə an ə ketskə (Q253p Montzen)
|
Een kruisje, aan een kettinkje om de hals gedragen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23717 |
kruisje van de rozenkrans |
kruisje:
ət krytskə (Q253p Montzen)
|
Het kruisje aan de rozenkrans. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23314 |
kruisprocessie |
kruisbronk:
krYtsbrōŋk (Q253p Montzen)
|
De processie die tijdens de kruisdagen gehouden wordt voor een goede oogst, de kruisprocessie . [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28989 |
kruissteek |
kruissteek:
krytsštiǝk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
Bepaalde steek die men volgens de informant van Q 253 toepast bij het herstellen van barsten in het bovenwerk. Arras (II, pag. 198) zegt hierover: "De kruissteek wordt meestal gelegd op leder, dat gekloven of gebersten is b.v. een gekloven bovenleder waar noch stuk, noch nieuw voorblad mag ingezet worden." En over de maakwijze merkt hij op: "Om een goeden kruissteek te plaatsen, nemen we een zeer fijn draadje en een fijne els. We beginnen aan het uiteinde van de kloof en steken altijd over en weer, d.w.z. nu op den enen en dan op den anderen kant der kloof." Zie afb. 16. [N 60, 112c] || Steek waarbij de draad kruislings komt te liggen. Volgens Van Dale (s.v. ø̄kruissteekø̄) gelijk aan de flanelsteek. Zie ook het lemma ɛflanelsteekɛ. Volgens informanten gebruikt men deze steek om de naad plat af te werken (L 163), voor de zoom van mantels of dikke stof (L 298a), om de zoom vast te zetten (L 299) en om iets vast te maken aan de binnenkant (K 353). Zie afb. 36.' [N 59, 64; N 62, 15c; N 62, 16a]
II-10, II-7
|
| 23705 |
kruisteken |
kruisteken:
ət krytstēkə (Q253p Montzen)
|
Een kruisteken [kruis, krèùs/kröös, kruus, kruuts, kruusteiken?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23799 |
kruisverering |
het kruis poesten:
ət krYts pYtsje (Q253p Montzen)
|
Het gebruik om op Goede Vrijdag de relikwie van het Heilig Kruis te kussen, de Kruisverering. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23411 |
kruisweg |
kruisweg:
der krutswɛ̄X (Q253p Montzen),
dər krytswɛ̄ch (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
De 14 staties. [N 96B (1989)] || De gebedsoefening langs de 14 staties van Jezus gang van Pilatus naar Golgotha [kruisweg, kruuswèg, kruutswèèg]. [N 96B (1989)] || Het geheel van 14 kruiswegstaties in de kerk [kruu(t)swèèg, kruuswèg?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|