e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
krijt krijt: krît (Montzen) krijt [ZND m] III-3-1
krioelen wemelen: onpersoonlijk werkwoord et wimelt van  wimele (Montzen) Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (krioelen, kriemelen, wriemelen, friemelen, wemelen) [N 108 (2001)] III-1-2
kroep kroep: krup (Montzen) Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 107 (2001)] III-1-2
kroeshaar kroezelhaar: kruzəlhōr (Montzen) Kroeshaar (kroezelen, kroezelhaar). [N 109 (2001)] III-1-1
krols lopig: lø&#x0304pex (Montzen) loops [ZND m] III-2-1
kromme lat kraaglat: krāxlat (Montzen) Een gebogen lat die men gebruikt bij het tekenen en uitmeten van het patroon. Deze moet zo gebogen zijn dat daarlangs kanten van schoot en revers gemakkelijk getrokken worden. De lat is bij voorkeur gemaakt van een niet splinterende houtsoort (Gerritse, pag. 19). Zie afb. 4. [N 59, 3b] II-7
krommen, ombuigen buigen: bøgə (Montzen), krommelen: krömele (Montzen), krommen: kröme (Montzen), ombuigen: ømbəgə (Montzen) krommen [ZND m] || Krommen: een kromme gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien, krom maken) [N 108 (2001)] || Ombuigen: een andere richting geven (ombuigen, (om)plooien) [N 108 (2001)] III-1-2
kroon kroon: kru‧ə.n (Montzen) kroon [ZND m] III-3-1
kroonluchter luster: der luster (Montzen) Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)] III-3-3
kruid (alg.) kruid: krû.s (Montzen) kruid [ZND m] III-4-3