| 17918 |
krabben |
kratsen:
zəx kratsə (Q253p Montzen)
|
Zijn hoofd krabben tegen de jeuk (dabben, kretsen, kratsen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 28904 |
kragenblok |
kraagshout:
krāxshōt (Q253p Montzen)
|
Voor het strijken van de kraag gebruikt men het kragenblok. Het kragenblok dient ook voor het inpersen van borststukken, het gladmaken van korte vlakten en het platpersen van kleine naden (Gerritse, pag. 34). De informant van L 417 zegt de kragen op de tafel te strijken. De informant van Q 83 vermeldt dat het heel lang geleden is dat hij een kragenblok heeft zien gebruiken. Er bestaan alleen houten kragenblokken. Zie ook het lemma ɛpersplankɛ.' [N 59, 19e]
II-7
|
| 23718 |
kralen van de rozenkrans |
koonder:
də koəndər (Q253p Montzen)
|
De kralen van de rozenkrans [de kralle, krelkes, kraole, kräölkes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21340 |
kramer |
kramer:
kri.ə.mər (Q253p Montzen)
|
kramer [ZND m]
III-3-1
|
| 21342 |
krant |
gazet (<fr.):
ga.ze‧t (Q253p Montzen)
|
krant [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|
| 25034 |
krassen |
kwaken:
kwāke (Q253p Montzen)
|
krassen [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 21031 |
kreeft |
krebs (du.):
ook in ZND 28, 048
krēps (Q253p Montzen)
|
kreeft [ZND 01 (1922)]
III-2-3
|
| 24339 |
krekel |
krekel:
kriekel (Q253p Montzen)
|
krekel [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 18107 |
krentenbaard |
zweren:
Wordt omschreven.
ẓwɛ̄rə opən lepə ɛn opən ken (Q253p Montzen)
|
Uitslag, zweertjes op de lippen en de kin (krentenbaard, baardziekte). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 21343 |
krijgen |
krijgen:
kri.i.ə (Q253p Montzen)
|
krijgen [ZND m]
III-3-1
|