| 22740 |
kopjeduikelen |
de keukelebok slaan:
de kokelebokk schlue (Q253p Montzen),
kôkelebôk (Q253p Montzen),
keukelen:
kôkele (Q253p Montzen),
tuimelen:
tumele (Q253p Montzen)
|
Buitelen. [ZND m] || Buiteling. [ZND m] || hij kan over zijn hoofd tuimelen (buitelen), een tuimeling maken [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 20368 |
koppelen |
per paar aaneenbinden:
pǝr pār anę̄beŋǝ (Q253p Montzen)
|
Het met een touwtje aan elkaar binden van een paar schoenen. [N 60, 222d]
II-10
|
| 28458 |
kopraat |
aanvang:
āvāŋk (Q253p Montzen)
|
De kleine stukjes raat die men laat staan als men bij de honingoogst de raten uitbreekt. Hieraan moeten de bijen weer opnieuw gaan uitbouwen. [N 63, 14b; Ge 37,55]
II-6
|
| 30907 |
kopspijker |
boon:
bon (Q253p Montzen),
kramnagel:
krampnāgǝl (Q253p Montzen)
|
De tamelijk dikke spijker met brede kop die tegen slijtage op de zool of de hak of voor de sterkte op de rand van de zool wordt geslagen. Volgens de informant van Q 121c worden kopnagels voor mijnschoenen gebruikt. [N 60, 201d3; N 60, 201d2; N 60, 201c]
II-10
|
| 28429 |
kopspijlen |
pennen:
(enk)
pɛ̄n (Q253p Montzen)
|
Van onderen spits bijgesneden spijlen. Door de kop van de korf worden op raatafstand een aantal van deze houten spijlen gestoken. Die spijlen worden van onderen spits bijgesneden omdat de bijen bij voorkeur hun ratenbouw aan een scherpe rand schijnen te beginnen. Wanneer de korfboer er dan nog met was een paar stukjes kunstraat of samengeknepen verse darrenraat aan vastlijmt, zijn de bijen meestal wel genegen althans hun eerste raten netjes in de kop in koude bouw te beginnen (De Roever, pag. 150). [N 63, 6a]
II-6
|
| 28410 |
korf met ronde kop |
ronde korf:
ronǝ kø̄rǝf (Q253p Montzen)
|
Korf met een doorsnede van ± 40 cm bij een ongeveer gelijke hoogte. Een kenmerk is de ronde kop. [N 63, 3a; N 63, 3b]
II-6
|
| 28536 |
korfjes |
borstels:
(enk)
bø̜ǝštǝl (Q253p Montzen)
|
Inrichting aan achterste paar poten van de werkbij waarin zij het stuifmeel verzamelt. Deze holtes of korfjes zijn met stijve haren omgeven. Ze ontbreken bij koningin en dar. [N 63, 44b; N 63, 44a]
II-6
|
| 28428 |
korfkrammen |
krammen:
(enk)
krāmp (Q253p Montzen)
|
IJzeren krammen. Met een paar van deze krammen of haken wordt het hoogsel of het onderzetstuk stevig aan de korf bevestigd. [N 63, 5d]
II-6
|
| 28602 |
korfmes |
ratenhaak:
rǭǝtǝhǭk (Q253p Montzen)
|
Mes waarmee de imker de raten opsnoeit. Wanneer hij honing wil oogsten zal hij hiermee alle of bijna alle raten uit de korf snijden. Volgens de informanten van L 289 en L 333 kan daarvoor ieder willekeurig mes gebruikt worden. Daarop wijzen ook de woordtypen gewoon mes en mes. Andere woordtypen wijzen op een bepaald soort mes. Het kan een schaapschaarmodel zijn (L 416), een langwerpig mes dat aan de onderkant rond gebogen is (L 210, 414), een spatelvormig mes (P 120) of een mes met zeer korte snede haaks aan een lange steel (Q 253). [N 63, 80c; N 63, 81c]
II-6
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
kornoelje:
kornōl (Q253p Montzen)
|
kornoelje [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|