| 28486 |
koninginnebroed |
koninginnebroed:
kønǝginǝbrūt (Q253p Montzen)
|
De cellen met daarin de larven, waaruit later de koninginnen ontstaan. [N 63, 24c]
II-6
|
| 28474 |
koninginnecel, moerdop |
koninginnecel:
kønǝgenǝsɛl (Q253p Montzen)
|
Cel waarin de koningin of moer uitgebroed wordt. Ze lijkt niet op de werkbijcel of darrecel. Binnenin is deze grote cel rond. In één volk kunnen belangrijke verschillen in afmetingen der verscheidene moedercellen bestaan. Hoe groter ze zijn, des te beter kan de koningin of moer, die erin geboren moet worden, zich ontwikkelen. Elke koninginnecel bevat in zich de mogelijkheid van een zwerm. Het aantal moercellen varieert bij de verschillende bijenvolken. [N 63, 13d; S 3; JG 1b; JG 2b-5, 11; Ge 37, 38; monogr.]
II-6
|
| 28473 |
koninginnelarf |
koninginnelarf:
kønǝgenǝlarǝf (Q253p Montzen)
|
De larf die tot koningin uitgroeit. [N 63, 21c]
II-6
|
| 28478 |
koninginnepap |
brij:
brēj (Q253p Montzen),
koninginnebrij:
kønǝginǝbrēj (Q253p Montzen)
|
Het specifieke voedsel waarmee uitsluitend de koninginnelarven gevoed worden. De jonge werkbijen, de voedsters, scheiden uit de speekselklieren een zeer voedzame, eiwitrijke stof af, de z.g. koninginnepap. De eerste drie levensdagen krijgen alle werkbijlarven deze pap toegediend. Daarna krijgen de werkbijlarven een mengsel van honing, stuifmeel en water toegediend, een minder voedzaam eten dan de koninginnepap. De moerlarven in de grote moerdoppen of -cellen krijgen wel de koninginnepap in hun verder larfstadium toegediend. Hierdoor kunnen ze zich tot koningin of moer ontwikkelen. [N 63, 22d; N 63, 66; Ge 37, 41]
II-6
|
| 19526 |
kookpot |
pan:
p‧an (Q253p Montzen)
|
pan [ZND m]
III-2-1
|
| 33546 |
kool, algemeen: een krop kool |
chou-pain (fr.):
šupeŋ (Q253p Montzen),
gemeus (coll.):
gəmøͅs (Q253p Montzen),
kool:
ky‧əl (Q253p Montzen),
moes:
mōs (Q253p Montzen)
|
[ZND m]
I-7
|
| 24192 |
koolmees, mees |
grasdrijter:
koolmees
grâstrîter (Q253p Montzen),
keesmeesje:
kéesméske (Q253p Montzen)
|
mees [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 33233 |
koolraap (ondergronds) |
koleraab:
(mv)
kǫlǝrābǝlǝ (Q253p Montzen),
raapkolen:
rø̄pkyǝl (Q253p Montzen)
|
Brassica napus L. subsp. rapifera. Bedoeld is hier de gekweekte knol van de plant met de naam koolzaad. De plant heeft gele bloemen; het vlees van de knol is oranjekleurig; bij sommige variëteiten ook wit. Koolraap stelt minder eisen aan de grond dan bieten. De verbouw is vrij algemeen in Limburg verspreid. De knollen worden vooral als veevoeder gebruikt en dan ingekuild; soms ook werden ze als groente gegeten. Er zijn twee soorten teelt: -onder de grond (hier behandeld); ook wel gewestelijk raapkool of knolraap genoemd of kortweg knol; -boven de grond; ook wel koolraap-boven-de-grond, glaskoolraap of koolrabi genoemd. Vaak is een meervoudsvorm opgegeven naast of in plaats van het enkelvoud; dit is steeds in het lemma aangegeven. Op grond van de laatste medeklinker in deze meervoudsvormen kan als slotmedeklinker van de enkelvoudsvormen eerder een verstemloosde -b dan een -p worden aangehouden. Op een enkel duidelijk tegenvoorbeeld na (meervoud koolrapen) is hier dan ook de spelling -raab aangehouden, in overeenstemming met de spelling -reub. Wanneer is opgegeven dat het woordaccent op de tweede lettergreep ligt is ook dat in het lemma vermeld. Vergelijk ook het lemma Koolzaad. [N 12, 39; N 12A, 3a; JG 1a, 1b, 2c; L 6, 36; monogr.; add. uit N 7, 1b]
I-5
|
| 33234 |
koolrabi, koolraap-boven-de-grond |
koleraab:
[koleraab] (Q253p Montzen)
|
Brassica oleracea L. var. gongylodes L. Zie de toelichting bij het lemma Koolraap (Ondergronds). Koolrabi wordt als groente gekweekt. Het komt vaak voor dat de koolraap-boven-de-grond dezelfde naam draagt als de koolraap-onder-de-grond van het vorige lemma. Deze gevallen staan steeds voorop; voor de fonetische documentatie ervan zij verwezen naar de betreffende heteroniem uit het genoemde lemma Koolraap. Voor de spelling (-)raab, zie de toelichting bij het lemma Koolraap. [N 12A, 3b; monogr.; add. uit N 7, 16]
I-5
|
| 23216 |
koor |
koor:
kūer (Q253p Montzen)
|
Koor. [ZND 01 (1922)]
III-3-3
|