| 22363 |
knikker |
huif:
hy(3)̄:f (Q253p Montzen),
hy(3)̄f (Q253p Montzen),
hyf (Q253p Montzen)
|
Knikker. [ZND m] || Knikker: de kleine (van steen of glas). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 22361 |
knikkeren |
knippen:
knepe (Q253p Montzen),
kneppe (Q253p Montzen)
|
Knikkeren. [ZND m] || Over het knikkerspel: het knikkeren. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 28942 |
knippatroon |
patroon:
patruǝn (Q253p Montzen)
|
Een naar de vereiste vorm geknipt of te knippen stuk papier, waarnaar de stof voor kledingstukken geknipt wordt. [N 59, 48a; N 62, 4; MW; monogr.]
II-7
|
| 28947 |
knippen, snijden |
snijden:
šniǝ (Q253p Montzen)
|
Het uitsnijden van het patroon uit de stof of de stof met de schaar volgens patroon in stukken verdelen. Het object stof, patroon, kleed, stuk is bij de woordtypen knippen en snijden niet gedocumenteerd. [N 59, 50; N 62, 3; Gi, 1.IV, 21; MW]
II-7
|
| 21001 |
knoflook |
knoffel:
knofel (Q253p Montzen)
|
[ZND m]
I-7
|
| 17664 |
knokkelkuiltjes |
kuiltjes:
kylṣərə opən knøəkələ (Q253p Montzen)
|
De deukjes op de gewrichten tussen de hand en de vinger (kuiltjes, koetjes, putjes) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 33236 |
knolraap, raap |
reuben:
rø̄bǝ (Q253p Montzen)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|
| 18262 |
knoop |
knoop:
knōp (Q253p Montzen),
knōͅ: (Q253p Montzen),
knô.p (Q253p Montzen),
knōp (Q253p Montzen)
|
een knoop [N 59 (1973)] || knoop (enkelvoud - meervoud) [ZND m] || Plat, rond schijfje of min of meer bolvormig voorwerpje van been, hout, metaal enz., dat aan kleding of andere gebruiksvoorwerpen wordt genaaid, hetzij als een middel om ze te doen sluiten of met een deel van hetzelfde of met een ander stuk te verbinden. [N 59, 135; N 62, 65a; Gi 1.IV, 48; Wi 5; S 18; MW; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 18384 |
knoopbottine |
geknoopte schoen:
gəknøbdə šōn (Q253p Montzen)
|
Een bottine die niet met veters, maar met knoopjes sloot, vooral dameslaarsjes. Zie tek. 206f,g. (knoopbottine?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 29087 |
knoopsgat inknippen, insnijden |
snijden:
šniǝ (Q253p Montzen)
|
Het inknippen van het knoopsgat. Dit wordt eerst met krijt op het kledingstuk afgetekend en daarna ingeknipt of ingeslagen met een knoopsgatenschaar of een gaatjestang. [N 59, 138]
II-7
|