| 23450 |
klokkenstoel |
klokkenstoel:
der klokkesjtōl (Q253p Montzen)
|
De stellage, het toestel waarin de klok hangt [klokkegalg, klokkestoel]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23463 |
klokkentouw |
klokkenzeel:
et klokkezeel (Q253p Montzen)
|
Het touw om de klok te luiden [klokketouw, klokkereep, klokkezeel?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18230 |
klomp |
klomp:
klômp (Q253p Montzen)
|
klomp [ZND m]
III-1-3
|
| 32448 |
klompriem |
klompenriem:
klompǝrēm (Q253p Montzen)
|
Leren band die over de klompopening van de lage en halfhoge klomp wordt bevestigd om te zorgen dat men de klomp tijdens het lopen niet verliest. De klompriem werd doorgaans niet door de klompenmaker, maar door de handelaar of door de klant zelf aangebracht. Een leren band op de klomp spijkeren noemde men in Sint-Truiden (P 176): een klonk beslaan (ǝnǝ kluŋk˱ bǝslōn). [N 60, 214c; N 97, 143; monogr.]
II-12
|
| 18481 |
klompsok |
krumir:
[Du.?]
krumir (Q253p Montzen)
|
een leren voetschoeisel om in een klomp te dragen (klompsokken?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 31014 |
klophamer |
hamer:
hāmǝr (Q253p Montzen),
schoestershamer:
šustǝšhāmǝr (Q253p Montzen)
|
De zwaardere hamer met ietwat ronde kop waarmee men het leer klopt, met name de loopzool. Het kloppen doet men ook wel met de gewone schoenmakershamer. [N 60, 97a; N 60, 183b; N 60, 241a]
II-10
|
| 31013 |
klopkei |
klopsteen:
klopštę̄n (Q253p Montzen),
steen:
štę̄n (Q253p Montzen)
|
De steen waarop men het leer van de bovenzool klopt. [N 60, 97b; N 60, 241a]
II-10
|
| 31012 |
kloppen |
kloppen:
klopǝ (Q253p Montzen)
|
Met een hamer, klopkei of klopijzer het leer op een steen kloppen. "De bovenzool wordt, na eerst ruw uitgesneden en in water elastisch te zijn gemaakt, op een kei geklopt om eventueel later trekken te voorkomen." (Directie, pag. 301). [N 60, 97a; N 60, 241a]
II-10
|
| 18120 |
kloven |
schronden:
ṣron (Q253p Montzen)
|
Kloven in de hand (kenen, sprongen, reten, sjrongen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 19469 |
kluit |
kluit:
kly(3)̄.t (Q253p Montzen)
|
bollen die gevormd worden uit kolengruis, leem en water [ZND 36 (1941)]
III-2-1
|