e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
klokkenstoel klokkenstoel: der klokkesjtōl (Montzen) De stellage, het toestel waarin de klok hangt [klokkegalg, klokkestoel]. [N 96A (1989)] III-3-3
klokkentouw klokkenzeel: et klokkezeel (Montzen) Het touw om de klok te luiden [klokketouw, klokkereep, klokkezeel?]. [N 96A (1989)] III-3-3
klomp klomp: klômp (Montzen) klomp [ZND m] III-1-3
klompriem klompenriem: klompǝrēm (Montzen) Leren band die over de klompopening van de lage en halfhoge klomp wordt bevestigd om te zorgen dat men de klomp tijdens het lopen niet verliest. De klompriem werd doorgaans niet door de klompenmaker, maar door de handelaar of door de klant zelf aangebracht. Een leren band op de klomp spijkeren noemde men in Sint-Truiden (P 176): een klonk beslaan (ǝnǝ kluŋk˱ bǝslōn). [N 60, 214c; N 97, 143; monogr.] II-12
klompsok krumir: [Du.?]  krumir (Montzen) een leren voetschoeisel om in een klomp te dragen (klompsokken?) [N 60 (1973)] III-1-3
klophamer hamer: hāmǝr (Montzen), schoestershamer: šustǝšhāmǝr (Montzen) De zwaardere hamer met ietwat ronde kop waarmee men het leer klopt, met name de loopzool. Het kloppen doet men ook wel met de gewone schoenmakershamer. [N 60, 97a; N 60, 183b; N 60, 241a] II-10
klopkei klopsteen: klopštę̄n (Montzen), steen: štę̄n (Montzen) De steen waarop men het leer van de bovenzool klopt. [N 60, 97b; N 60, 241a] II-10
kloppen kloppen: klopǝ (Montzen) Met een hamer, klopkei of klopijzer het leer op een steen kloppen. "De bovenzool wordt, na eerst ruw uitgesneden en in water elastisch te zijn gemaakt, op een kei geklopt om eventueel later trekken te voorkomen." (Directie, pag. 301). [N 60, 97a; N 60, 241a] II-10
kloven schronden: ṣron (Montzen) Kloven in de hand (kenen, sprongen, reten, sjrongen). [N 109 (2001)] III-1-2
kluit kluit: kly(3)̄.t (Montzen) bollen die gevormd worden uit kolengruis, leem en water [ZND 36 (1941)] III-2-1