| 21353 |
kletsen |
klatsen:
klatse (Q253p Montzen),
kletsen:
klètse (Q253p Montzen)
|
kletsen [ZND m]
III-3-1
|
| 18065 |
klierziekte |
sint-markoen:
sènt Markûn (Q253p Montzen)
|
koningszweer (kliergezwellen aan de hals, ook St-Marcoen geheten, Fr. scrofules) [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 17893 |
klieven |
scheiden:
sjejə (Q253p Montzen)
|
Vaneen scheiden (klieven, kloven, splijten, splitsen, (scheiden))\\ [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17736 |
klinken |
de lap opnagelen:
dǝr lap opnę̄gǝlǝ (Q253p Montzen),
klinken:
kliŋkø (Q253p Montzen)
|
De loopzool met metalen spijkertjes aan het bovenwerk bevestigen. [N 60, 146a] || Klinken: een goed hoorbaar, luid of helder geluid voortbrengen (klinken, luiden, klabetteren, klawettern) [N 108 (2001)]
II-10, III-1-1
|
| 31497 |
klinknagel |
naai:
nęj (Q253p Montzen)
|
Rond metalen staafje waaraan een kop is geperst. Zie ook afb. 177. Klinknagels worden volgens de koperslager uit L 266 onder meer gebruikt om hengsels te bevestigen. Koperen klinknagels werden vroeger volgens de zegsman uit L 210 gedraaid uit koperen plaat en vervolgens door het klinknagelijzer (kleŋkngǝlīzǝr) geslagen waardoor er een kop op kwam. Zie ook het lemma "nagelijzer". [N 66, 48a-b; N 100, 18; monogr.]
II-11
|
| 31090 |
klinkspijkertjes |
semences:
sǝmãs (Q253p Montzen)
|
Diverse soorten spijkertjes waarmee men klinkt. Volgens de informant van L 163a zijn tacks vierkant en taps met een ronde, platte kop. Volgens de informant van Q 253 is semences de verzamelnaam voor gewone, ronde, ijzeren spijkertjes met platte kop en een lengte van 8 tot 14 mm. [N 60, 146b]
II-10
|
| 31091 |
klinkvoet |
nagelsvoet:
nāgǝlsvōt (Q253p Montzen)
|
IJzeren of stenen voet waarop men klinkt. [N 60, 147a]
II-10
|
| 24536 |
klit |
kleefpleister:
klefplòster (Q253p Montzen),
plakmadam:
plakmadame (Q253p Montzen)
|
klis [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 20950 |
klokhuis |
kits:
keͅ.tš (Q253p Montzen),
klokhuis:
klòkes (Q253p Montzen)
|
klokhuis (het binnenste van een appel) [ZND 17 (1935)]
III-2-3
|
| 23299 |
klokje op het priesterkoor |
gong:
der goŋ (Q253p Montzen),
schel:
de sjɛl (Q253p Montzen)
|
Het klokje, de grote bel of de gong op het priesterkoor, waarmee het begin en het einde van de dienst wordt aangegeven. [N 96A (1989)]
III-3-3
|