| 29606 |
klei, leem |
klei:
klɛ̜̃.i̯ (Q253p Montzen),
leem:
lē.m (Q253p Montzen),
lē̜.m (Q253p Montzen)
|
Algemene benaming voor de taaie, kneedbare grondsoort die verwerkt wordt in de steen- of pannenfabriek of in de pottenbakkerij. Termen die klei aanduiden die voor specifieke doeleinden wordt gebruikt, zijn opgenomen in de lemmata ɛpotaardeɛ, ɛsteenbakkerskleiɛ en ɛdakpannenkleiɛ. In Nederland komen verschillende kleisoorten voor. De oudste kleilagen uit het Tertiair (Oligoceen) zijn de mariene afzettingen uit de Achterhoek en Twente. Deze vette en kalkhoudende leem is grijsachtig tot (licht)groenachtig of bruinachtig van kleur en wordt ook Rupelse of Boomse klei genoemd. De jongere rivierkleiafzettingen uit het Tertiair (Plioceen) komen voor in Limburg in plaatsen als Reuver (L 299), Swalmen (L 331) en Brunssum (Q 35). De bij Brunssum gevonden klei, die geelbakkend is, wordt gebruikt voor vuurvast materiaal. De klei bij Tegelen (L 270) en Belfeld (L 297) heeft zich tijdens de overgang van het Tertiair naar het Kwartair gevormd en bevindt zich in lagen van anderhalf tot vier meter onder het zand. Deze vette klei is uitermate geschikt voor dakpannen en greswaren. De in het zuiden van Nederlands Limburg aangetroffen l√∂ss tenslotte bestaat uit fijn materiaal dat door de wind werd aangevoerd. Deze kleisoort is mager en wordt gebruikt voor het vervaardigen van metselstenen (Janssen, pag. 22/23).' [N 27, 48; L 1a-m; S 21; monogr.] || Grijs- tot geelachtige, sterk samenhangende, enigszins klevende, vruchtbare grondsoort, ontstaan door afzetting van verweringsprodukten door rivieren. Leem is ook een kleiachtige grondsoort echter met een zandgehalte groter dan 20%. Zie ook het lemma ɛklei, leemɛ in wld II, afl. 8 (pottenbakker e.a.), blz. 31.' [N 27, 41; N 27, 33; N 18, 2 add.; N 18, 5 add.; N 15, add.; R 3, 6; A 10, 4; Wi 52, 53; Vld.; monogr.]
I-8, II-8
|
| 24923 |
kleigrond |
klei:
klê.i (Q253p Montzen)
|
klei [ZND m]
III-4-4
|
| 17543 |
klein van gestalte |
klein:
kleŋ (Q253p Montzen)
|
Klein van gestalte (klein van gestalte/postuur/was/bouw). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 28718 |
kleinwerk |
klein werk:
klē wɛrǝk (Q253p Montzen)
|
Het werk dat bestaat uit het maken van kleine kledingstukken. [N 59, 194a]
II-7
|
| 26394 |
klep |
overslag:
ø̜vǝršlāx (Q253p Montzen)
|
De flap met vetergaten welke bij derbybottines en derbymolières los op de schoen ligt en maar aan één kant is vastgenaaid. [N 60, 26]
II-10
|
| 18499 |
klep [wld ii.10, p. 25] |
overslag:
øvəršlāx (Q253p Montzen)
|
Hoe heet de flap met vetergaten, die bij derbybottines en derbymoliäres los op de schoen lag en maar aan één kant was vastgenaaid (klep)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 18200 |
klepbroek |
boks met voor een slag:
boks met vø̄r ənə [sjlāx (Q253p Montzen)
|
een broek met een sluitklep aan de voorkant [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 23215 |
klepel |
klepel:
der klɛəpel (Q253p Montzen),
kleapel (Q253p Montzen),
klöpel (Q253p Montzen)
|
De klepel van een klok [bengel?]. [N 96A (1989)] || Klepel. [ZND 01 (1922)]
III-3-3
|
| 23462 |
klepklok |
schel:
de sjel (Q253p Montzen)
|
Hoe noemt men deze kleinste klok?. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23218 |
kleppen |
kleppen:
klepe (Q253p Montzen),
schellen:
sjɛlə (Q253p Montzen),
sèle (Q253p Montzen)
|
Luiden (Fr. sonner). [ZND m] || Vóór de kerkdienst de kleinste klok luiden met korte slagen, anders gezegd: korte slagen geven met de kleinste klok [trumpe, kleppe, pimpe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|