| 24443 |
fruitworm |
appelmade:
apəlmōͅj (K278p Lommel)
|
worm die in een appel huist [pieremenneke] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 19727 |
fuchsia |
belletjes:
-
bellekes (K278p Lommel)
|
fuchsia [DC 57 (1982)]
III-2-1
|
| 30056 |
fundament |
fondament:
fǫlǝmɛnt (K278p Lommel)
|
De grondvesten van een gebouw. Het fundament kan al dan niet onderheid zijn, wordt in metselsteen, stampbeton of gewapend beton uitgevoerd en reikt tot aan het maaiveld of de begane grond. [N 31, 1a; N 31, 1b; N 31, 1c; monogr.]
II-9
|
| 30104 |
fundament van de schoorsteen |
fondamenten:
fǫlǝmɛntǝn (K278p Lommel)
|
Het metselwerk waarop de schoorsteen rust. Een fundament voor een meestal buiten de muur liggende schoorsteen opmetselen werd in Q 121 'een console uitmuren' ('eŋ kǫnsǫl ūsmūrǝ') genoemd. [N 32, 25b; monogr.]
II-9
|
| 30053 |
funderingssleuven uitsteken |
fondamenten schieten:
fonǝmɛntǝn sxitǝň (K278p Lommel),
fondamenten uitschieten:
fonǝmɛntǝn øtsxitǝň (K278p Lommel),
fǫlǝmɛntǝn øtsxitǝn (K278p Lommel)
|
Gleuven uitsteken langs de vier wanden op de bodem van de uitgegraven kelderruimte. In de sleuven worden later de fundamenten geplaatst. Zie voor het woordtype 'gescheuten' (Q 194) ook RhWb dl. VII, k. 962, s.v. 'Geschäu': ø̄das Mauerwerk aus Bruchsteinen an der Erde, auf dem die Balkenlage des Fachwerkhauses ruht.ø̄ [N 30, 25a; monogr.]
II-9
|
| 19094 |
futloze jongen |
labbekak:
làbbəkàk (K278p Lommel),
lummel:
dai is ne lummel (K278p Lommel),
mossel:
des ’n mossel (K278p Lommel)
|
Dat is een lummel (futloze kerel). [ZND 37 (1941)] || futloos persoon, luilak
III-1-4
|
| 24149 |
fuut |
fuut:
fyt (K278p Lommel)
|
fuut (48 bruine kuif en kraag; alleen op grote vennen en plassen; zomervogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
goan (K278p Lommel),
goaën (K278p Lommel),
goͅn (K278p Lommel)
|
gaan [ZND m] || lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
kotje:
köi̯ʔəs (K278p Lommel)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 28925 |
gaatjestang |
gaatjestang:
gaatjestang (K278p Lommel)
|
Een tang waarmee men rijggaten maakt. Zie afb. 27. [N 60, 46b; N 60, 46c]
II-10
|