| 18122 |
nijdnagel |
overnagel:
euvernegel (L289b Leuken)
|
Hoe noemt men een los stukje vel aan de rand van de nagel van een vinger? (Nederl. nij(d)nagel, dwangnagel, stroopnagel). [DC 30 (1958)]
III-1-2
|
| 30857 |
nijptang |
nijptang:
nī.ptaŋ (L289b Leuken)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.]
II-11
|
| 20752 |
niknak |
niknakje:
Uitsluitend mv. Heilige Nik-nak és de petroën van de kepotte zokke
niknekskes (L289b Leuken)
|
kleine koekjes in de vorm van een dierenfiguurtje
III-2-3
|
| 20504 |
nippen |
aflebberen:
Hae hieët van ze laeve waat aafgelebbertj: hij heeft in zijn leven veel gedronken
aaflebbere (L289b Leuken),
sippen:
suppe (L289b Leuken),
Oopa kos zoeë lekker suppe aan zien dröpke
suppe (L289b Leuken)
|
met kleine beetjes drinken, nippen || met kleine teugjes (hoorbaar drinken), aflikken || nippen aan een glas bier
III-2-3
|
| 30108 |
nisbus |
nisbuis:
nisbuis (L289b Leuken)
|
Metalen bus die in de opening voor de rookpijp van een schoorsteen wordt ingemetseld ten einde de kachelpijp op te nemen. De bus bestaat uit een cilinder met vaste kraag en een in de schoorsteen te buigen rand. In deze cilinder zit een tweede cilinder geklonken. [N 32, 26c; monogr.]
II-9
|
| 30213 |
nok |
vorst:
vø̜rst (L289b Leuken)
|
De bovenste liggende balk in het dakgebint waartegen de kepers rusten. De nokgording heeft doorgaans een doorsnede van 9,5 x 9,5 cm. Onder nok of vorst verstaat men ook dikwijls het hoogst gelegen gedeelte van een dak, de dakbedekking inbegrepen. Zie ook het lemma 'ruiter' en afb. 49j en 85. [S 41; N 32, 43d; N 54, 161; L 8, 66a; L 12, 9; L B1, 169; monogr.; div.; Vld.]
II-9
|
| 21651 |
notariskosten |
schrijfgeld:
schrief geldj (L289b Leuken)
|
gelden die bestemd zijn voor de notaris i.v.m. een openbare verkoping van onroerende goederen [ongelden, den bamis, onraad, herengeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 24900 |
ogenblikje, korte tijd, eventjes |
eventjes:
effekes (L289b Leuken),
ef⁄kes (L289b Leuken),
ogenblik:
(meervoud: oûgeblikke; verkleinwoord: oûgeblikske).
oûgeblik (L289b Leuken)
|
eventjes || ogenblik, korte tijd
III-4-4
|
| 33558 |
okkernoot |
baak:
baok (L289b Leuken),
noot:
noeët (L289b Leuken)
|
noot || okkernootkwartier
I-7
|
| 20547 |
olie |
reubsmout:
Vroeger gebruikt voor het braden van boekweitpannenkoeken
reupsmaot (L289b Leuken),
reubsolie:
Vroeger gebruikt voor het braden van boekweitpannenkoeken
reupsoolie (L289b Leuken)
|
olie uit raapzaad
III-2-3
|