| 32892 |
metalen tongetjes |
bramen:
brǭm (L289b Leuken)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|
| 29920 |
metselaar |
metser:
mɛtsǝr (L289b Leuken)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mɛtsǝlǝ (L289b Leuken),
metsen:
mɛtsǝ (L289b Leuken)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29942 |
metselkoord |
metseltouw:
mɛtsǝltǫw (L289b Leuken)
|
Het koord dat men spant om daarlangs te metselen. Aan beide uiteinden kunnen twee priemen bevestigd zijn waarmee het koord in de voegen van het metselwerk wordt vastgezet. Zie ook het lemma 'priemen'. Het woordtype snoergerust (Q 121) was een benaming voor het metselkoord met toebehoren. Zie ook afb. 4. [N 30, 14a; monogr.]
II-9
|
| 30089 |
metselstenen bevochtigen |
nat maken:
nāt mākǝ (L289b Leuken)
|
Metselstenen nat spuiten. Om een goede aanhechting tussen mortel en steen te verkrijgen, worden metselstenen doorgaans een avond vóór het verwerken bevochtigd. Dit voorkomt dat de droge steen tijdens het metselen te veel water uit de mortel opneemt. [N 31, 13a]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
bergzand:
bɛrǝx˲zant (L289b Leuken),
maaszand:
mās˲zant (L289b Leuken),
scherpe zand:
sxɛrǝpǝ zant (L289b Leuken),
zand:
zant (L289b Leuken),
zilverzand:
zelǝvǝrzant (L289b Leuken)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 19757 |
meubelstuk, meubel |
meubel:
myəbəl (L289b Leuken)
|
meubel
III-2-1
|
| 20123 |
miauwen |
kermauwen:
klaaglijk miauwen
kermawwe (L289b Leuken)
|
miauwen
III-2-1
|
| 24352 |
mier |
aamzeiksel:
aomzeiksel (L289b Leuken),
WLD (met aantekeningen)
a‧omzeiksel (L289b Leuken)
|
mier || mier [zeikdemp(el), -lem, -meik, -diem, -worm, -mier, moer-, muurzeiker, aomzeiksel, aomezeik] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24423 |
mierenei |
ei:
WLD (met aantekeningen)
ei (L289b Leuken)
|
mierenei [zeekmoejerseike] [N 26 (1964)]
III-4-2
|