| 25187 |
rijp vormen, rijpen |
rijmen:
rijme (K314p Kwaadmechelen)
|
vriezen zodanig dat zich rijm op de bomen vormt [rouwvorsten, rijmen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
waterrijm:
waterrijm.
woͅiərreͅm (K314p Kwaadmechelen)
|
rijm, bevroren dauw of nevel die zich afzet op de takken [waterrijm, roevros] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33509 |
rijshout, bonenstaak |
boongard:
bengeer (K314p Kwaadmechelen),
boonstaak:
benstouk (K314p Kwaadmechelen),
erwtrijs:
ɛtrēͅzən (K314p Kwaadmechelen)
|
[ZND 23 (1937)]Erwtenrijzers, twijgen waartegen bepaalde erwten groeien [N P (1966)]
I-7
|
| 20603 |
rijstebrij |
rijstpap:
Syst. IPA
rēͅspáp (K314p Kwaadmechelen)
|
Rijstebrij (pötjesbulling?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20737 |
rijstevlaai |
rijstvlaai:
Syst. IPA
rēͅs˃vlou̯əi̯ (K314p Kwaadmechelen)
|
Vla bedekt met spijs van rijst [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34643 |
rijtuig |
voiture-karretje:
vǝtȳrkarkǝ (K314p Kwaadmechelen),
wagen:
wǭgǝn (K314p Kwaadmechelen)
|
Personenvoertuig, waarbij niet de huifkar bedoeld wordt. Gezien het feit dat het hier om zaken gaat die reeds lang verdwenen zijn, is de verwarring rond de dialecttermen groot. Dit lemma is samengesteld uit de antwoorden op algemene vragen als "hoe noemt u een tweewielig rijtuig" die geen betrekking hebben op een specifieke soort. Ook de meer algemene antwoorden die in N 101 bij de vragen naar bepaalde soorten rijtuigen opgegeven werden, zijn hier verwerkt. De veel voorkomende opgaven "koets" en "sjees", de bekendste vier- en tweewielige rijtuigen, zijn in de betreffende lemmata opgenomen. [N 101, 1-14; N G 51; L 1 a-m; L 28, 24; L 36, 70; LA 288; S 18, 30; Wi 16; monogr]
I-13
|
| 33978 |
rijzadel |
rijzadel:
rē̜zǭl (K314p Kwaadmechelen)
|
Zadel dat gebruikt wordt bij het berijden van een paard. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 21032 |
rijzen |
gaan:
gǭn (K314p Kwaadmechelen)
|
[N 29, 25b; monogr.]
II-1
|
| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzelen:
ręi̯zǝlǝ(n) (K314p Kwaadmechelen),
rijzen:
rē̜zǝ (K314p Kwaadmechelen),
uitvallen:
ø̜ǝt˲valǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 17599 |
rimpels |
rimpels:
rim-els (K314p Kwaadmechelen),
rimpels (K314p Kwaadmechelen)
|
rimpels (in het gezicht) [ZND 41 (1943)]
III-1-1
|