| 31224 |
lood |
lood:
lȳt (L366p Gruitrode)
|
De algemene benaming voor het zachte, blauwachtig witte metaal dat door de loodgieter wordt gebruikt. In plaatvorm vormt het de basis voor onder meer loketten, vorstlood en voetlood en als buis werd het vroeger veel toegepast bij de aanleg van waterleidingen. Zie ook de lemmata "loketten", "loketlood" en "voetlood" in Wld ii.9, pag. 178. [N 64, 102a-e; monogr.]
II-11
|
| 31186 |
loodgieter |
dakwerker:
dākwęrkǝr (L366p Gruitrode),
gotenmaker:
gōtǝmē̜kǝr (L366p Gruitrode),
pompenmaker:
pompǝmē̜kǝr (L366p Gruitrode)
|
Ambachtsman die vroeger vooral zink en blik bewerkte, loden buizen maakte en herstelde, dakgoten en regenpijpen plaatste en repareerde en, zo blijkt uit de antwoorden van de zegslieden, soms ook waterpompen aanlegde. Tegenwoordig installeert en repareert hij vooral sanitaire installaties en verwarmingstoestellen. Zie ook het lemma "zinkbewerker". Het woord pompenmaker werd in Venray (L 210) en omstreken ook gebruikt als benaming voor een koperslager. Zie ook het lemma "koperslager". [N 64, 161a; L 34, 17a-b; monogr.]
II-11
|
| 24846 |
loof |
loof:
luîf (L366p Gruitrode)
|
loof, lover
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
afblāi̯ǝ (L366p Gruitrode)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 21596 |
loop van een geweer |
loop:
de leip (L366p Gruitrode),
de løp van ij gewīr (L366p Gruitrode)
|
De loop van een geweer [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|
| 20132 |
loops |
lopig:
leipig (L366p Gruitrode)
|
loops, geslachtsdriftig ve teef
III-2-1
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
scheèt (L366p Gruitrode)
|
loot [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
loēpe (L366p Gruitrode),
loupə (L366p Gruitrode),
luipen (L366p Gruitrode),
lő̜u̯.pǝ (L366p Gruitrode)
|
lopen [ZND m] || lopen: Hebt ge Klaas zien lopen ? [ZND 44 (1946)] || Uit de gevraagde toelichting en bij vraag N 8, 82 blijkt dat gaan de betekenis van "stappen", "stapvoets gaan" heeft, lopen die van "snel lopen" of "draven". [JG, 1b; N 8, 81a en 82]
I-9, III-1-2
|
| 22044 |
lopend snot |
lopend snot:
Algemene opmerking: deze vragenlijst is nogal slecht (= weinig antwoorden) ingevuld!
lopend snot (L366p Gruitrode)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: besmetting van ademhalingswegen met afscheiding van etter en snot uit bek, neus en ogen (lopend snot)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22109 |
losplaats |
losplaats:
Algemene opmerking: deze vragenlijst is nogal slecht (= weinig antwoorden) ingevuld!
losplaats (L366p Gruitrode)
|
de plaats waar de duiven gelost worden (losplaats, lossingsplaats of dergelijke, dus niet de naam van een stad invullen)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|