| 30331 |
niet haaks |
uit de winkel:
ūt ˲dǝ weŋkǝl (Q018p Geulle)
|
Niet zuiver rechthoekig, gezegd van bijvoorbeeld een werkstuk. [N 53, 199b; monogr.]
II-12
|
| 20167 |
niet zindelijk |
nog niet zuiver:
nog neet zuuver zin (Q018p Geulle)
|
onzindelijk; de aandrang der natuurlijke behoeften niet beheersend; onzindelijk, gezegd van kinderen [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 18921 |
nietsnut |
duimendraaier:
doemendrejjer (Q018p Geulle),
leegloper:
lèègluiper (Q018p Geulle),
luilak:
luilak (Q018p Geulle),
niksnut:
niksnöt (Q018p Geulle)
|
een persoon die tot niets deugt [leep, nietsnut, nietsnutter, nietsnutterik] [N 85 (1981)] || iemand die niets doet [druil, plod, patrak, loefer] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25172 |
nieuwe maan |
nieuw licht:
nuut leech (Q018p Geulle),
nieuwe maan:
nuje moan (Q018p Geulle)
|
schijngestalte van de maan: nieuwe maan [donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 19052 |
nieuws |
nieuws:
nuuts (Q018p Geulle)
|
een bericht over iets dat nog onbekend was [nets, nieuws] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 19010 |
nieuwsgierig |
nieuwsgierig:
nusheirig (Q018p Geulle)
|
nieuwsgierig, benieuwd: die vrouw is erg - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|
| 19177 |
nieuwsgierigaard |
gaper:
gaper (Q018p Geulle)
|
iemand die alles nieuwsgierig bekijkt [gaper] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 30857 |
nijptang |
knijptang:
knīptaŋ (Q018p Geulle),
pitstang:
petstaŋ (Q018p Geulle),
petštaŋ (Q018p Geulle)
|
In het algemeen een tang die vooral dient om spijkers uit te trekken en metaaldraad, spijkers, dun plaatmateriaal, e.d. af te knippen. Zie ook afb. 95 en het lemma ɛnijptangɛ in wld II.11, pag. 92-93. Het woordtype vlechttang is de benaming voor een nijptang die wordt gebruikt bij het verwerken van betonijzer. Deze tang heeft kleinere bekken en langere armen dan de nijptang. Zie ook het lemma ɛbetonijzerɛ in Wld II.9, pag. 47.' [N 53, 142a-c; N 53, 143; monogr.] || In het algemeen het werktuig om te knijpen en te trekken. Zie afb. 9. [N 60, 184a; N 60, 236]
II-10, II-12
|
| 20504 |
nippen |
nippen:
nippe (Q018p Geulle)
|
Hoe noemt U: Met kleine beetjes drinken (pisen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20401 |
noemen |
noemen:
neume (Q018p Geulle)
|
noemen, een naam geven [DC 03 (1934)]
III-2-2
|