| 20478 |
luier |
windel:
`nne winjel (Q018p Geulle)
|
luier [winjel, luur, kindsdoek, pisdoek, huik] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 18919 |
luieren |
luieren:
luijerre (Q018p Geulle),
niks doen:
niks doon (Q018p Geulle)
|
zijn tijd met nietsdoen doorbrengen en ook geen zin hebben om iets te doen [luieren, luibroeken, luierikken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19029 |
luilak |
luilak:
luilak (Q018p Geulle),
vuilak:
voelak (Q018p Geulle)
|
Het gebruik op zaterdag vóór Pinksteren degene die het laatst uit bed is, uit te schelden [luilak]. [N 88 (1982)] || luilak [DC 11]
III-1-4, III-3-2
|
| 17734 |
luisteren |
luisteren:
sjerp loestere ? (Q018p Geulle)
|
[N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 31582 |
luns |
leun:
lø̄n (Q018p Geulle)
|
Metalen spie die door een gat in het uiteinde van de wagenas wordt gestoken om te verhinderen dat het wiel van de as kan afdraaien. Zie ook afb. 216. [N G, 50c; N 17, 63; JG 1a; JG 1b; Wi 13, add.; L 39, 22, add.; div.]
II-11
|
| 31583 |
lunsschijf |
schijf:
šīf (Q018p Geulle)
|
Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen naaf en luns die de naafbus afsluit zodat er tijdens het rijden geen vet of smeer verloren gaat en er geen vuil de naafbus kan binnendringen. Bij modernere, metalen fabrieksassen werd de lunsschijf vervangen door een metalen, dopvormige moer die op de as wordt geschroefd en met behulp van een luns tegen losdraaien wordt vastgezet. Van der Kloes en Van Helden (pag. 21) noemen dit type naafbus halfpatentbus. [N G, 50b; N 17, 64]
II-11
|
| 20566 |
lurken |
lurken:
lörrike (Q018p Geulle, ...
Q018p Geulle),
zuiken:
zoekke (Q018p Geulle)
|
lurken; Hoe noemt U: Hoorbaar zuigen aan een pijp (lurken) [N 80 (1980)] || paffen; Hoe noemt U: Op een hoorbare manier roken; geweldig veel roken (paffen, plotsen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20486 |
lusten |
gaarne hebben:
gäere höbbe (Q018p Geulle),
lusten:
löste (Q018p Geulle)
|
lusten; Hoe noemt U: Houden van een bepaald soort eten of drinken; zin hebben in eten of drinken (lusten, mogen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 23872 |
maagdenpalm |
maagdenpalm:
reet
maagdepalm (Q018p Geulle)
|
Maagdepalm (vinca minor). De stengels zijn kruipend of rechtop; de bladeren zijn lancetvormig. De bloem is blauw purperkleurig en alleenstaand (merekespalm, maagdekenspalm, wildepalm, steenviool, immergroen, vinkenoord, hoedje). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 32884 |
maaibalk |
oplegger:
ǫplǝgǝr (Q018p Geulle)
|
De lange arm aan de maaimachine, voorzien van naar voren stekende driehoekige messen. Zie afbeelding 6, nummer 1. [N J, 1b; monogr.]
I-3
|