| 34223 |
muilkorf voor kalveren |
mandje:
møntjǝn (Q007p Eisden)
|
De muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten. [N 3A, 14e]
I-11
|
| 17872 |
muilpeer |
slag op de muil:
Plat.
slaag op tien moel (Q007p Eisden)
|
hoe heet een slag op de kaak ? Geef aan welke woorden gemeenzaam of plat zijn. [ZND 36 (1941)]
III-1-2
|
| 18308 |
muiltje |
muiltje:
mülkəs (Q007p Eisden)
|
muiltjes, pantoffels zonder hielstuk [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33687 |
mulle grond |
zavel:
zāvǝl (Q007p Eisden)
|
Droge losse grond, zonder kluiten. [N 27, 37a; monogr.]
I-8
|
| 34069 |
muntige koe |
brulkoe:
brølkō (Q007p Eisden)
|
Koe die men een tijdlang vrij wil houden en daarom niet laat dekken als ze tochtig is. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 28]
I-11
|
| 18632 |
muts met pompon |
kaboutermuts:
kaboͅutərmöts (Q007p Eisden)
|
muts, wollen spits toelopende ~ met pluim of kwast [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18418 |
muts: algemeen |
muts:
möts (Q007p Eisden),
Ouderwets vrouwenkapsel.
møts (Q007p Eisden),
pats:
patš (Q007p Eisden, ...
Q007p Eisden)
|
muts, hoofddeksel zonder klep of stijve rand [klots, koetsj, pars] [N 25 (1964)] || pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
houtmijt:
ps. omgespeld volgens Frings.
hoͅu̯tmit* (Q007p Eisden),
mijt:
mīt (Q007p Eisden),
schansenmijt:
ps. omgespeld volgens Frings.
šansəmit* (Q007p Eisden)
|
houtmijt, stapel takkebossen [N 05A (1964)] || houtmijt, stapel takkenbossen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 30091 |
muur |
muur:
muǝr (Q007p Eisden)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 24506 |
muurbloem |
flier:
-
fleer (Q007p Eisden)
|
muurbloem
III-4-3
|