| 21473 |
lid van een vereniging |
lid:
ə lit van ’n vereeniging (Q007p Eisden)
|
Lid van een vereniging. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 22750 |
lied, liedje |
liedje:
le.tsjə (Q007p Eisden),
altijd verkleind
leetje (Q007p Eisden)
|
Een lied, een liedje. [ZND 30 (1939)] || liedje [RND]
III-3-2
|
| 19085 |
liegen |
liegen:
lege (Q007p Eisden),
lēgə (Q007p Eisden)
|
liegen [ZND 25 (1937)]
III-3-1
|
| 27466 |
lier |
treuil:
treuil (Q007p Eisden
[(Eisden)]
[Zwartberg, Eisden])
|
Algemene benaming voor een hijswerktuig met horizontaal geplaatste as waarmee bijvoorbeeld mijnwagens of zware voorwerpen verplaatst kunnen worden. Een lier kan met de hand of mechanisch, bijvoorbeeld elektrisch of met perslucht, worden aangedreven. Volgens Defoin (pag. 174) maakt men in Nederland naar aanleiding van de aandrijving een onderscheid tussen een windas en een lier: de windas wordt met de hand gedraaid en de lier met een motor. Omdat vraag N 95A, 13 vrij algemeen was gesteld ("Hoe noemt u een lier waarmee wagens of zware voorwerpen verplaatst kunnen worden") en omdat de lier in de mijn voor veel doeleinden wordt gebruikt, zijn de antwoorden "Hollandse lier" (Q 21), "rooflier" (Q 21), "stijlentrekker" (L 374) en "koepe-lier" (Q 21) verplaatst naar respectievelijk de lemmata Rooflier, Stijlentrekker en Koepe-lier. De opgave "kolom" uit Q 21 is volgens de invuller een zuilenlier en de term "mopje" werd volgens de zegsman uit Q 121a gebruikt voor een kleine lier in doortochten. De term "lier" is volgens de respondent uit Q 121c een Nederlandse benaming die op de Domaniale mijn pas in zwang kwam toen er een Nederlands sprekend kader op de mijn tewerkgesteld werd. [N 95A, 13; monogr.; N 95, add.; Vwo 477; Vwo 797]
II-5
|
| 17647 |
lies |
lies:
lis (Q007p Eisden),
lēs (Q007p Eisden),
plooi:
RK: ingegeven dr. plooi v.d. dij ?
plòèj van t bijn (Q007p Eisden)
|
de lies (plooi van de dij) [ZND 30 (1939)] || Het vel of vlies rond een windei. [JG 1b, 1c, 2c]
I-12, III-1-1
|
| 24343 |
lieveheersbeestje |
molenpaardje:
ook in ZND 16, 006
møləpēͅrtšə (Q007p Eisden)
|
lieveheersbeestje [ZND 05 (1924)]
III-4-2
|
| 17816 |
liggen |
liggen:
legkə (Q007p Eisden),
ligge (Q007p Eisden)
|
liggen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 33474 |
liggend dakvenster |
dakvenster:
dākvēnstǝr (Q007p Eisden),
vasistas (fr.):
vasestas (Q007p Eisden)
|
Een dakvenster is een liggend raampje op het dak dat meestal geopend kan worden en dat dient ter belichting en beluchting van de zolder, ook wel als toegang tot het dak bij bijv. reparaties of om door naar buiten te kijken. Het is meestal te klein om hooi door te laten, maar grotere vensters kunnen wel daartoe dienen (zie het lemma "hooivenster", 3.4.5). [N 4A, 45c; monogr.]
I-6
|
| 34205 |
lijder aan tuberculose |
koe met longrot:
kō mēt lou̯ŋrōt (Q007p Eisden)
|
Koe die tuberculose heeft. Zie ook het lemma ''lijder aan tuberculose'' in wbd I.3, blz. 484. [N 52, 17c; N 3A, 85a]
I-11
|
| 34185 |
lijfbieden, prolapsus vaginae |
(de) koning laten kijken:
(de koe) lit dǝ kø̄neŋ kīkǝ (Q007p Eisden)
|
Het uitzakken van de bovenrand van de schede, die dan vooral bij liggende dieren buiten de schaamlippen te voorschijn komt als een roze bal, die meestal gauw min of meer ontstoken raakt. Een prolapsus vaginae ontstaat wanneer er een verslapping optreedt in het weefsel dat de vagina vasthoudt in het bekken. [N 3A, 97; N 52, 30a; A 48A, 44a]
I-11
|