| 23203 |
kruisbeeld |
kruis:
krōs (Q156p Borgloon)
|
Kruisbeeld. [ZND 22 (1936)]
III-3-3
|
| 34081 |
kruisbeen |
kruisbeen:
krø̄sbęi̯n (Q156p Borgloon)
|
Heiligbeen, os sacrum; één der beenderen van het bekken. Het is een driehoekig beenstuk, ontstaan uit de vergroeiing van vijf wervels. [N 3A, 110a]
I-11
|
| 33551 |
kruisbes |
doornkroezel:
djown kroezel (Q156p Borgloon),
groene kroezel:
gryi̯n krūsəl (Q156p Borgloon)
|
kruisbes [ZND 16 (1934)]
I-7
|
| 23313 |
kruisen, kruisdagen? |
kruisen:
krö:zər (Q156p Borgloon)
|
kruisen [RND]
III-3-3
|
| 24380 |
kruisspin |
kruisspin:
krø̄speͅn (Q156p Borgloon)
|
kruisspin, spin met wit kruis op de rug die radvormig web maakt [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 26823 |
kruiwagen |
kruikar:
krīǝkār (Q156p Borgloon
[(spottend: oude kruiwagen)]
),
kruiwagel:
krē̜.wǭ.gǝl (Q156p Borgloon)
|
Kleine eenwielige kar met twee berries, waarmee hij door een mens voortgeduwd en soms ook getrokken wordt. Vaak is er op de berries een bak gemonteerd, waarvan de zijplanken soms afgenomen kunnen worden. Er bestaan echter ook kruiwagens zonder zijplanken en met enkel een hoge voorplank, waarbij de berries via scheien met elkaar verbonden zijn. Zie voor het onderscheid de lemmata bakkruiwagen, scheienkruiwagen en platte kruiwagen. De informant van P 214 merkt hierover op: een soort kruiwagens met planken bodem. Zijstukken kunnen naar believen opgezet of afgenomen worden". De kruiwagen wordt gebruikt voor het vervoer van kleine lasten, zoals bijvoorbeeld mest. Volgens de informant uit Q 77 werd de kruiwagen gebruikt "om allerlei materiaal (behalve cement, zand enz.) te vervoeren" Volgens de informant uit L 269 gebruikt men de kruiwagen wel om zand te vervoeren. De respondent uit L 377 vermeldt als mogelijke vrachten "zakken - ook ander goed (aardappelen, wortels, steenkolen)". Zie voor meer informatie ook de lemmata kruiwagen in wld II,4, in wld II, 8 en in wld II, 9 en steenkar in wld II, 8. [N 18, 97a; N G, 51; N 11, 28; RND, 129; Gwn 8, 1b; S 19; L 29, 4; L 16, 19a; L 1a-m; L 1u, 139; L 45, 14a; L B, 193; JG 1d; A 14, 14a; monogr.]
I-13
|
| 29960 |
kruizeel |
kruiwagelriem:
krē̜wāgǝlrīm (Q156p Borgloon),
kruiwelsriem:
krē̜.wǝlsrī.m (Q156p Borgloon),
riem:
rīǝm (Q156p Borgloon)
|
Riem die om de schouders gelegd wordt en aan de berries van de kruiwagen wordt vastgemaakt om het werk van de voerder te verlichten. Zie ook het lemma kruizeel in wld II.9. [N 18, 99, 100; JG 1a; JG 1b; JG 2a; JG 2b; JG 2c; L B, 90; L 35, 31; A 42, 16; monogr]
I-13
|
| 17791 |
krullen (ww.) |
krullen:
t hoewer krolle (Q156p Borgloon),
ət hūər krolə (Q156p Borgloon)
|
het haar krullen (krullen maken) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 18019 |
kuchen |
bochelen:
bøchələ (Q156p Borgloon),
hoesten:
hoeste (Q156p Borgloon)
|
zachtjes hoesten, kuchen [ZND 29 (1938)]
III-1-2
|
| 34382 |
kudde schapen |
kud:
køt (Q156p Borgloon)
|
[JG 1a, 1b, 2c; L 6, 25b; A 4, 18; L 20, 18; monogr.]
I-12
|