| 34491 |
kraaien, gezegd van de haan |
kraaien:
krẽ̜ (Q156p Borgloon)
|
[N 19, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17562 |
kraakbeen |
knots:
knots (Q156p Borgloon)
|
kraakbeen [ZND m]
III-1-1
|
| 22858 |
kraaltjes |
pareltjes:
pjaləkəs (Q156p Borgloon)
|
kraaltjes [RND]
III-3-2
|
| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
kraan:
krǭǝn (Q156p Borgloon)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|
| 24196 |
kraanvogel |
krienekraan:
krienekraon (Q156p Borgloon),
krienekroan (Q156p Borgloon),
krīnəkrōͅ.n (Q156p Borgloon),
Frings
krinəkrōͅən (Q156p Borgloon),
krinnekraan:
Frings
krenəkroͅai̯n (Q156p Borgloon)
|
kraanvogel [ZND 01 (1922)], [ZND 17 (1935)] || kraanvogel (114 alleen op trek; nu vrij zeldzaam; in grote V-vormige troepen overvliegend; alleen in Oost-Brabant; overnachtend bij vennen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17918 |
krabben |
schrabben:
sxrabǝ (Q156p Borgloon)
|
Met een krabber of andere hulpmiddelen de geweekte varkensharen verwijderen. Door het krabben wordt een zeer dun laagje van de opperhuid eveneens verwijderd. [N 28, 27; monogr.]
II-1
|
| 20739 |
krakeling |
krakeling:
kro͂ͅkəleŋ (Q156p Borgloon)
|
Krakeling (britsel, ring?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18372 |
krakende schoen |
kraakschoen:
krá͂ksxuu (Q156p Borgloon),
krakende schoen:
kroakende schoeən (Q156p Borgloon)
|
schoenen die een krakend geluid maken als men er op loopt [kraokschoen] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32072 |
kram |
klauwen:
klǫu̯ǝ (Q156p Borgloon)
|
Oog, haak of kram waarin het slaghout gestoken werd om het vast te zetten. [N 17, 21; N G, 56g]
I-13
|
| 24197 |
kramsvogel |
krammer:
Frings
kramər (Q156p Borgloon),
tsjakker:
Frings
tšakər (Q156p Borgloon)
|
kramsvogel (25 groter dan koperwiek [021]; vaak in diens gezelschap; heeft grijze kop en stuit; ook alleen wintervogel; roep [tjak-tjak-tjak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|