| 21774 |
plat praten |
plat kallen:
plat kalle (L317p Bocholt),
plat kappe (L317p Bocholt),
plat praten:
plat praoten (L317p Bocholt)
|
plat praten [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 34573 |
plateauwagen |
wagen:
wāgǝ (L317p Bocholt),
wāgǝn (L317p Bocholt)
|
Een vierwielige wagen, vaak al met wielen met luchtbanden, die voor het vervoer van melkbussen, biervaten, land- en tuinbouwproducten enz. gebruikt werd. De bak van deze wagen hangt laag boven de grond en heeft een groot bodemoppervlak. Vaak zijn er geen voor-, achter- en zijkanten. De wagen kan door paarden of ook door een tractor getrokken worden. [N 17, 43a; N G, 51 + 69; monogr.]
I-13
|
| 34085 |
platen |
platen:
plātǝ (L317p Bocholt)
|
De zijvlakken van het kruis. [N 3A, 111b]
I-11
|
| 33032 |
platliggen van graan |
ligt heel:
lęxt hiǝl (L317p Bocholt)
|
Wanneer de halmen door wind en regen platgeslagen zijn en tegen de grond liggen, is dat lastig werken voor de zichter. Hier staan steeds de persoonsvormen van het werkwoord genoemd, waarbij als onderwerp moet gedacht worden: "het koren"; achter in het lemma staan enkele zelfstandige naamwoorden: "platgelegerd graan". Heel in de uitdrukking ''(het koren) ligt heel'' staat voor ''helemaal''. [N 15, 13; monogr.]
I-4
|
| 29080 |
platstuk |
platstuk:
platstøk (L317p Bocholt)
|
Beide schouderstukken van een kiel, hemd of colbert die achter aan elkaar genaaid zijn; een schouderpas dus, bestaande uit twee stukken. [N 59, 91; N 62, 33; N 59, 87]
II-7
|
| 19417 |
plattebuiskachel |
leuvense stoof:
liêvese stoaf (L317p Bocholt),
ouderwetse stoof:
oͅu̯ərweͅtsə stoͅu̯f (L317p Bocholt),
stoofje:
verkleinwoord van stoaf Gèè mootsj het stèèfke ins wat oproakele
stèèfke (L317p Bocholt)
|
een kleine plattebuiskachel || een plattebuiskachel || lange kookkachel, met langwerpige platte buis en zichtbaren pot [ZND 23 (1937)]
III-2-1
|
| 23528 |
plechtig |
feestelijk:
fiestelik (L317p Bocholt)
|
Plechtig, feestelijk [faierlich?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24009 |
plechtige communie |
plechtige communie (<lat.):
plechtige kommunie (L317p Bocholt)
|
De Plechtige H.Communie + hernieuwing van de doopbeloften. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24051 |
plechtige huwelijksmis |
trouwmis:
trouwmes (L317p Bocholt)
|
Een plechtige bruidsmis [hoeëchfierlieje broedsmaes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25179 |
plensbui, zware bui |
schoon, een:
n schoon.
ən šoͅ(ə)n (L317p Bocholt),
slagregen:
slagreͅiŋəl (L317p Bocholt)
|
zware plensbui [zeng, schoer, sjoel, goersj] [N 22 (1963)]
III-4-4
|