| 29920 |
metselaar |
metser:
mɛtsǝr (L317p Bocholt)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metsen:
mɛtsǝ (L317p Bocholt)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
kiezel:
kīzǝl (L317p Bocholt),
zand:
zant (L317p Bocholt)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 32088 |
meubelmaker |
meubelmaker:
møbǝlmākǝr (L317p Bocholt),
mø̄bǝlmākǝr (L317p Bocholt)
|
Ambachtsman die meubels vervaardigt. [N 55, 166a; L 34, 19b; monogr.]
II-12
|
| 19757 |
meubelstuk, meubel |
meubel:
Hun hiêl miêbel stòngen op stroat
miêbel (L317p Bocholt)
|
meubel
III-2-1
|
| 21585 |
mevrouw |
madam (<fr.):
Pier, geîf medame ins ei sjôen hentje (L317p Bocholt)
|
Piet (Arie), geef madame nu eens een schoon handje [ZND 44 (1946)]
III-3-1
|
| 20123 |
miauwen |
miauwen:
miáu.ə (L317p Bocholt)
|
miauwen [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
middeg (L317p Bocholt),
middig (L317p Bocholt),
middəch (L317p Bocholt),
midəx (L317p Bocholt),
s namiddags:
⁄s namiddigs (L317p Bocholt)
|
in de namiddag [ZND 34 (1940)] || middag [RND], [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|
| 17839 |
middagdutje doen |
de ungeren doen:
d`n ignere doon (L317p Bocholt)
|
Hoe noemt ge het wanneer iemand s middags wat gaat slapen ? [ZND 31 (1939)]
III-1-2
|
| 20573 |
middagmaal |
middag, de -:
De middig waas nog neet vèrig
middig (L317p Bocholt)
|
het middagmaal
III-2-3
|