| 34133 |
loeien van de koe in het algemeen |
beuken:
bykǝ (L317p Bocholt),
bȳǝkǝ (L317p Bocholt),
brullen:
brølǝ (L317p Bocholt)
|
[N 3A, 5a; JG 1a, 1b; Gwn V, 8; Wi 57; monogr.]
I-11
|
| 17721 |
loeren |
loeren:
lōrə (L317p Bocholt)
|
kijken: loeren [lonke, luime] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23311 |
lof |
lof:
lof (L317p Bocholt),
tluf (L317p Bocholt)
|
het lof [RND] || Het lof, de kerkdienst met uitstelling van het Allerheiligste, gehouden op zondagmiddag, soms op zaterdagavond [lof, laof, zeëje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23663 |
lof met processie |
lof met processie (<lat.):
lof met processie (L317p Bocholt)
|
Lof met processie (rondom de kerk of over het kerkplein of kerkhof) op de eerste zondag van de maand. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33813 |
lomp paard |
karhengst:
karhęŋst (L317p Bocholt),
krobbel:
krūbǝl (L317p Bocholt)
|
[JG 1a; N 8, 62h]
I-9
|
| 17688 |
long |
long:
loŋ (L317p Bocholt)
|
long [ZND m]
III-1-1
|
| 31186 |
loodgieter |
loodgieter:
luǝt˲gētǝr (L317p Bocholt)
|
Ambachtsman die vroeger vooral zink en blik bewerkte, loden buizen maakte en herstelde, dakgoten en regenpijpen plaatste en repareerde en, zo blijkt uit de antwoorden van de zegslieden, soms ook waterpompen aanlegde. Tegenwoordig installeert en repareert hij vooral sanitaire installaties en verwarmingstoestellen. Zie ook het lemma "zinkbewerker". Het woord pompenmaker werd in Venray (L 210) en omstreken ook gebruikt als benaming voor een koperslager. Zie ook het lemma "koperslager". [N 64, 161a; L 34, 17a-b; monogr.]
II-11
|
| 24846 |
loof |
loof:
luîf (L317p Bocholt)
|
loof, lover
III-4-3
|
| 21686 |
loon |
loon:
ps. omgespeld volgens Frings.
lū(ə)n (L317p Bocholt),
pree (<fr.):
ps. omgespeld volgens Frings.
prē (L317p Bocholt),
quinzime (fr.):
ps. omgespeld volgens Frings. Boven de "i"(omgespeld: i) staat nog een ~; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen en heb alleen de "i"omgespeld.
kōnsi~m (L317p Bocholt)
|
loon, wat men verdient [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25605 |
loonbak |
inschiet:
enšēt (L317p Bocholt)
|
Deeg van brood en gebak dat aan huis is klaargemaakt en dat naar de bakker wordt gebracht om er brood of gebak van te laten bakken tegen een vergoeding. [N 29, 98; monogr.]
II-1
|