| 34067 |
lege eerste koe |
mastkoe:
mas[koe] (L317p Bocholt)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
legən (L317p Bocholt)
|
leggen [ZND m]
III-1-2
|
| 29060 |
legger |
spierbolletjes:
spīrbø̜lǝkǝs (L317p Bocholt)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.]
I-9
|
| 33409 |
legnest |
legnest:
lē̜ ̞qnęst (L317p Bocholt),
lęxnęst (L317p Bocholt)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 21553 |
lei |
lei:
de lei (L317p Bocholt),
ein lei (L317p Bocholt),
lei (L317p Bocholt)
|
Een lei waarop de kinderen schrijven. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leije (L317p Bocholt)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
leiden:
lɛi̯ǝ (L317p Bocholt)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 30530 |
leien dak |
leien dak:
lęjǝ dāk (L317p Bocholt)
|
Met leien gedekt dak. Zie ook de lemmata 'Rijndak' en 'Maasdak'. [L 37, 26c; N 79, 5 add.]
II-9
|
| 22649 |
lemen knikker |
pannenklits:
pann`klits (L317p Bocholt),
panneklits (L317p Bocholt),
slitsenhuif:
slidze huuf (L317p Bocholt)
|
Kleiknikker. || Kleiner Murmel. || Knikker in gebakken aarde.
III-3-2
|
| 19535 |
lemmer |
het scherp:
šēͅ(ə)rəp (L317p Bocholt),
mes:
mɛs (L317p Bocholt)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|