| 23580 |
kyrie eleison |
kyrie:
kyriejee (L317p Bocholt)
|
Het "vaste gezang"aan het begin van de mis, het "Kyrie eleison". [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33324 |
l-vormige hoeve |
hoekhuis:
hokhūs (L317p Bocholt)
|
Navraag of er verschil in benaming was tussen een L-vormig bouwwerk waarvan de korte poot wordt gevormd hetzij door het woonhuis, hetzij door een schuur of stal, leverde geen nieuwe termen op. Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 3. [N 4A, 1b en 2c]
I-6
|
| 24925 |
laag grond |
laag:
(als zelfst. nw.).
loag (L317p Bocholt)
|
laag (subst.)
III-4-4
|
| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lǭx (L317p Bocholt)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brōk (L317p Bocholt),
brōǝk (L317p Bocholt)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33649 |
laagliggende akker |
lage grond:
liǝgǝ grōnt (L317p Bocholt)
|
Een aantal woordtypen duiden niet zozeer op een afgebakend perceel, een akker, maar meer algemeen op laagliggende grond. [N 11, 2b]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
zonk:
zōŋk (L317p Bocholt)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
bot:
bot (L317p Bocholt),
botten (L317p Bocholt),
boͅt (L317p Bocholt),
-> ei paar botten.
bot (L317p Bocholt),
stevel:
stievels (L317p Bocholt),
-> e paar steevels.
steevel (L317p Bocholt)
|
laars [bot, steevel, buus, kamasj] [N 24 (1964)] || Laars, een paar laarzen (hoge laars met schoen eraan vast) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 18359 |
laars met sluitriempje |
rijbot:
rīboͅtə (L317p Bocholt)
|
laars waarvan de schacht aan de bovenkant van een verstelbaar sluitriempje is voorzien [rijlaars] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18301 |
laars tot of boven de knie |
stevel:
stīpəl (L317p Bocholt)
|
laars waarbij de schacht het hele onderbeen bedekt [kapleers, kapsjtievel, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|