| 18084 |
lichaamsvocht |
leewater:
leiwater (L289p Weert),
zeenwater:
zeenwaater (L289p Weert)
|
leewater [SGV (1914)] || lichaamsvocht (dat zich bijv. in de gewrichten bevindt) [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 25856 |
licht bier |
pils:
pels (L289p Weert)
|
Bier dat gebrouwen is uit lichte mout. Volgens de invuller uit L 325 had het "lagerbier" een alcoholpercentage van 6,3 procent, terwijl de zegsman uit Q 99 opmerkt dat het "jong bier" een percentage van 5 procent bevatte. De respondent uit L 210 vermeldt dat het "lagerbier" een laag stamwortgehalte bezat. [N 35, 97; monogr.]
II-2
|
| 26583 |
licht scherpen |
ondiep scherpen:
ǫndēp sxęrpǝ (L289p Weert),
witmaken:
wetmākǝ (L289p Weert)
|
De groeven ondiep maken. [N O, 34e]
II-3
|
| 22174 |
licht van bouw |
licht:
licht (L289p Weert)
|
Hoe zegt men in Uw dialect van een duif: licht van bouw of geraamte? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 25161 |
licht vriezen |
aanvriezen:
aanvreeze (L289p Weert)
|
lichtjes vriezen [schorzelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 26527 |
licht, steenlicht |
draadlicht:
drǭtlext (L289p Weert),
licht:
licht (L289p Weert),
vonderwerk:
vǫndǝrwę.rǝk (L289p Weert)
|
De inrichting waarmee de loper in verticale richting versteld kan worden om de afstand tot de onderste steen te regelen. De taats van het staakijzer of de kleine spil rust daartoe in een taatspot. In oudere molens is deze pot bevestigd op een zware balk, de vonderbalk. Deze balk scharniert aan één zijde in de houtconstructie van de molen, aan de andere zijde wordt hij omhooggehouden met een hefboom, bestaande uit een lichtijzer en een lichtboom met daaraan een koord of ketting en een gewicht. Later werd dit type lichtwerk vooral in watermolens vervangen door een ijzeren systeem. Daarbij staat de taatspot op een ijzeren lat die door middel van een regelrad op en neer geschroefd kan worden (Janssen, pag. 88/89). Zie ook afb. 85. Blijkens de opgaven is licht in P 53 en P 56 onzijdig. [N 0,23a; A 42A, 30; Sche 58; Vds 109; Jan 139; Coe 120; Grof 142; N O, 23p; monogr.; Vld]
II-3
|
| 26538 |
lichtboom |
lichtboom:
lext˱bǫwm (L289p Weert),
steenlicht:
ste̜jnlext (L289p Weert)
|
De hefboom waaraan aan één uiteinde het lichttouw is bevestigd; met het andere uiteinde is de lichtboom aan het lichtijzer vastgemaakt. Zie ook afb. 85. [N O, 23e; A 42 A , 27; Vds 111; Jan 145; N D, 22]
II-3
|
| 26693 |
lichtboom van de handmolen |
licht:
lext (L289p Weert),
lichtboom:
lext˱bǫwm (L289p Weert)
|
Het onder de pasbrug geplaatste balkje, als onderdeel van de licht van handmolens, waarmee de pasbrug op en neer kan worden bewogen. [N D, 22]
II-3
|
| 33677 |
lichte klei |
zavel:
zāvǝl (L289p Weert)
|
Grondsoort die bestaat uit zand en klei. Zavel is lichte klei waarin het zandgehalte 60 tot 80% kan zijn. [N 27, 43; N 27, 41]
I-8
|
| 25239 |
lichte nevel |
dunne mot:
dunne moéd (L289p Weert)
|
lichte nevel die het zicht vertroebelt [donst, dook, blaok] [N 22 (1963)]
III-4-4
|